Zoeken
  • Jasper

Mijmeringen over dan en als

Afgelopen week waarde het spook van de grammatica door de Nederlandse social media. De nieuwe editie van ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst) stond veel mensen namelijk niet aan. Daarnaast verscheen in de Volkskrant een opiniestuk waarin werd geargumenteerd dat leraren in het centraal eindexamen geen verantwoordelijkheid zouden moeten dragen om grammaticafouten te corrigeren. Een hoop dingen werden groter gemaakt dan ze eigenlijk waren en uiteindelijk bleef niemand met een interesse voor taalgebruik zonder mening. Zelfs mensen die normaal helemaal niet bezig zijn met taal, waagden zich even in de strijd om het zogenaamde ABN te beschermen. Onze taal zou verloederen door de steeds laksere eisen die worden gesteld aan de sprekers van de Nederlandse taal. Er is niets dat online makkelijker verspreidt dan hyperbool en onwaarheden.


Al die onrust laat echter wel zien dat veel mensen zich zorgen maken. Het zijn het soort zorgen dat we de laatste tijd steeds meer in het nieuws voorbij zien komen. Op de universiteiten spreken we allemaal Engels en op de middelbare school leren we amper Nederlands. De kinderen spreken de taal straks niet meer! De gedachte groeit dat we ons als Nederlanders aan bepaalde regels moeten houden om onze ‘Nederlandsheid’ via ons taalgebruik uit te dragen. Taal is niet langer een ongereguleerd systeem waarmee mensen met elkaar kunnen communiceren, maar een keurslijf waar we ons allemaal naar moeten schikken. Bepaalde mensen moeten zich dan natuurlijk meer aanpassen dan anderen. Ideeën en onderbuikgevoelens over klasse, afkomst en nationaliteit zijn diep verwikkeld met de manier waarop we denken over taal. Dat is niets nieuws, maar het is interessant om te zien hoe ons denken over taal verandert wanneer onze ideeën over Nederland veranderen.


Het huidige gesprek over de Nederlandse taal lijkt vooral een uitdrukking van angsten over identiteit in een wereld die steeds ingewikkelder lijkt en waarin de rol van Nederland steeds onduidelijker wordt. In een wereld waarin alles samenhangt, maar niks samenhangend lijkt en waar we steeds minder het gevoel hebben dat we de wereld kunnen veranderen, wordt het steeds aantrekkelijker om een spookbeeld te creëren van een duidelijk gedemarqueerd, samenhangend en vooral púúr Nederland. In tijden van crisis spookt Nederland door ons hoofd als een onaantastbaar en egaal ideaal waarin we eenheid vinden onder de rood-wit-blauwe driekleur. Het is het Nederland dat tegen de Spanjaarden streed en onder de Duitsers moest leven. In dat Nederland spreekt zogenaamd niemand dialect, heeft niemand een idiolect en weten we allemaal precies waar we de alsjes en dannetjes moeten neerpennen.


Mijn oma is in de negentig en heeft haar hele leven in Noordoost-Brabant gewoond. Het dialect dat ze spreekt is een Nederlands dialect, maar mijn oma heeft een ander vocabulaire, een andere zinsbouw en grammatica dan een oude Amsterdammer. Ze drukt zich op een volledig andere manier uit dan ik. De reactie is dan altijd dat er met dialecten niks mis is, maar dat dit niks te maken heeft met échte taalfouten. Ik vraag me dan af in hoeverre diegene echt zo denkt over dialecten. Ik vraag me ook af waar we de lijn trekken.


Ik kaart dit alleen maar even aan omdat dit soort taalpurisme bijna altijd weerklank vindt in tijden van vertwijfeling en verdeeldheid en omdat eenduidigheid altijd rust biedt, ook als er geen snars klopt van die eenduidigheid. En wie weet: misschien schuilt er voor veel taalprofessionals ook wel een soort wil-tot-machtsprincipe achter. Misschien heeft de linguïst in een wereld waar niemand naar haar werk omkijkt, toch een manier gevonden om haar wil te doen gelden: door iedereen verplicht een aantal grammaticaregels op te leggen en een absolute lijn te trekken tussen dan en als.

46 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven